BIBEB Interview Co Westerik

detail: Gebeurtenis bij spiegel in ruimte, 1978

VN  20 oktober 1984

Tegenover elkaar aan de lange witte tafel in zijn grote atelier: de zolder van een mooi oud huis in Rotterdam. Langs een wand een rij ladenkasten, daar tegenover een kleine open keuken. Drie stoelen, twee schilderezels. Neonlicht. “Ik heb grandioze bewondering voor Van Gogh,' zegt hij terwijl hij zorgvuldig een pijp stopt en aansteekt. “Hij is een van mijn favorieten die mij begeleiden, nee, die mij sterk stimuleren. Om z'n werk dat waanzinnig prachtig is maar ook om de man zelf. Hij is een voorbeeld van kracht. 't Gekke is bij het herlezern van z'n brieven heb ik er wat minder contact mee nu ik zestig ben dan toen ik ze voor het eerst las. Toen was ik 37, hij was 35 toen hij ze schreef. Ze blijven gigantisch maar er is toch een stuk leven weg wat bij hem nooit is gekomen en er bij mij nog wel in zit. Nou goed, ik dacht aan Van Gogh terwijl ik tekende. Ik tekende een man met een pistool, de loop net boven z'n kruis, z'n buik een open gat. Geen benen, het bovenlijf eindigend in een wormvormig aanhangsel. Ik tekende het gezicht van de man, ik wilde een uitdrukking van pijn maar ook van verbazing, Zo van: ''Hoe kan dat verdomme.'' Alsof hij in een flasback z'n leven overzag, gestold tot één alles omvattend beeld. De uitdrukking die mij voor ogen stond lukte niet. Ik teken op Japans papier, dat is heel dun, dat is zo waanzinnig prachtig van huid vooral als je werkt met waterverf. Maar verdomme, ik kwam er niet uit en opeens, het papier was kletsnat, scheurde ik het doormidden. Ik verscheurde veel. Wat niet lukt moet weg. Toen gebeurde er iets vreemds. Ik zag de kaart met het zelfportret van Van Gogh die ik hier altijd heb staan. Ik knipte het koppie eruit, legde de helften van de tekening tegen elkaar en plakte het koppie ertussen. 't Is misschien niet m'n best tekening maar het is wel precies zo gegaan.

De laatste tijd heb ik veel getekend. Ook een lullig huiselijk tafereeltje, een oude vrouw met een kind en een hond. 't Is toch boeiend zo'n oud vrouwtje met malle misvormde benen en lieve kraaloogjes dat kijkt naar het kleine stukje toekomst dat ze nog heeft. Haar ene hand houdt de poot van de hond vast.'

Wat nog meer?

Hij herhaalt m'n vraag maar zonder geluid, alleen de lippen bewegend. ''Een moeder op de knieën voor haar zoon,'' zegt hij. Komt snel overeind, knielt op de vloer, de handen smekend geheven. Even later weer rechtop een beheerst tegenover me. ''De jongen is een grote slungel waarvan je vermoeden  kunt dat hij alleen interesse heeft voor de disco. De vrouw een lieve sloof die helemaal opgaat in die knul terwijl ze beseft: het is een verloren zaak. Want ze ziet dat die knul een grote zak is. Daar is iets heel wezenlijks aan de hand. Een schitterend thema.

Om de stroom tekeningen te beschermen heb ik mijn schilderij laten staan. Die stroom moet je niet onderbreken. Nu voel ik het einde komen, straks kan ik weer schilderen.' Op een van de ezels staat zijn nieuwe schilderij. Hij zou een vleeskleurig landschap kunnen zijn, waarin een gezwollen grijsblauwe rivier die niet alleen bedreigend is maar ook noodlottig. Het blijkt de rug van een hand, begrensd door de vingertoppen en neusvleugels van iemand die de hand kust. De rivier is een ader. ''Ik noem het De handkus,' zegt hij. Mompelt, turend de versmalde ogen: ''Er moeten nog dunne lagen verf overheen.'' Trekt tussen duim en vinger de huid van zijn hand omhoog. ''De ader moet zichtbaar blijven maar onder het vlees.'' 

Hoe kwam je op de idee?

''Ik zie dat gebeuren en dan maak ik er een krabbel van. Die leg ik in mijn la. Ik heb een la vol ideeën,  'Neemt uit een van de vele laden een stukje papier waarop hij in enkele lijnen zijn onderwerp schetste. ''Dit is mijn  startpunt. Ik moet in mijn schilderij realiseren wat ik toen gezien heb. Hier heb ik ja  tegen gezegd. Het moet zo zijn dat ik de emotie verwezenlijk die ik in eerste instantie voelde.'' Opwinding in z'n stem. ''Ik moet me helemaal instellen op dit ene ding, anders kan ik het niet maken. Als het goed gaat zie je het schilderij langzaam dichterbij komen, tot je voelt: verdomme, het is er. Dat betekent dan het natuurlijk einde. 't Is hard werken om een beetje schilderij te maken, tenminste voor mij, ik hoor niet bij de mensen die het zo ineens kunnen.''

Je gaat er nooit te lang aan door?

''Nooit. Ik heb wel 's gehad dat een ding niet levensvatbaar leek. Ik heb het weggezet en een half jaar later weer opgepakt. Toen lukte het wel.''

Maakt de la vol ideeën je niet ongeduldig?

Ik werk langzaam, ik heb tijd nodig. De ideeën moeten gerealiseerd worden... ik weet natuurlijk nooit of ik het haal. Maar alles op zijn tijd... soms pak ik een idee dat jaren oud is, dat moet dan worden verwezenlijkt.''

Noem er 's een paar.

''Nee, ik moet ze onder me houden. Ik moet ze koesteren. Ze moeten rijpen. Als ik erover zou praten heb je kans dat er iets waardevols verloren gaat.''

Na mijn antwoord zegt hij heftig: ''Bibeb, luister naar Co,  er gaat al te veel verloren. Om het verloren gaan enigszins te verhoeden heb ik mijn bandrecorder, die draag ik eigenlijk altijd in m'n zak. Daar spreek ik in, zo probeer ik bepaalde gevoelens en emoties vast te houden. Ik vertel bij voorbeeld wat ik zie en voel als boven een landschap de zon doorbreekt. Eigenlijk ben ik continu met mijn werkbezig. Het kan gebeuren dat ik terwijl ik over voetbal zit te praten met mijn zoon Willem naar de motieven, licht en donker, op het gordijn kijk en denk: kan ik daar iets mee doen'.''

Tuurt naar zijn Handkus. ''Die ader moet onder het vlees zichtbaar blijven, de kwetsbaarheid, daar gaat het om. Die zit ook in mijn Pols.'' Pakt de catalogus uitgegeven ter gelegenheid van zijn tentoonstellingen in Berlijn, Saarbrüken en Den Haag (Gemeentemuseum, zomer '84). Toont de reproduktie van De Pols. Een broze arm tegen een blauwe achtergrond en boven een groene vlakte. Waar de hand begint lijkt de huid te verpulveren. Hij zet de vingertop op de dunne elkaar kruisende grijsblauwe aderen. ''De kwestbaarheid zit hier,'' zegt hij.

Als je die aderen doorsnijdt ben je gauw dood.

''Ik bedoel, dit is het leven. Hier op deze plek daar zit het leven in. Wil je koffie?' Terwijl hij koffie schenkt, bekijk ik gefascineerd een van zijn nieuwe tekeningen, titel: “Aaah roepende man'. De man wordt omringd door bergen.

Ik heb een atelier in Frankrijk.' zegt hij, 'het is er zo stil, het gevoel dat het landschap in me oproep breng ik op die manier in kaart.'

Ik dacht, dat is een man die sterft.

'Nee... het is een moment van gestolde ontroering. Maar nadat ik die tekening maakte zag ik Gielgud op televisie in een rol waarin hij in bed moest sterven, dat deed hij precies zo: Aaah. ' Imiteert verbluffend exact.

Maar ik herinner me een tekening van je van jaren geleden, die heette Sterfbed, een man met z'n mond open, haast net zo. 

''Die maakte ik na het sterven van m'n moeder, ik veranderde haar in een man. Zoekt en vindt de tekening in de catalogus. 'Goed,' zegt hij, 'zie je dat kleine lijntje, het geeft het trillen aan vóór het sterven.'

Neemt van een stapel een van de tekeningen die straks te zien zijn op de tentoonstelling, 'Hier ben ik doorgegaan op het thema van de schoolmeester (het bekende schilderij, de bleke koele onderwijzer, een hand op het hoofd, de andere rond de keel van en doodsbang kind).'

Is het een eigen ervaring?

'Natuurlijk, het gaat steeds weer over dingen die ik zelf heb ondergaan. Hier ligt de grote volwassen hand op de nek van een jongen. 't Kan aardig bedoeld zijn maar het blijft een bedreigend gebeuren, een ingreep, de klauw van een groot mens die de jeugdige grijpt. Het kan ook de hand van een arts zijn. Je weet dat je aan hem bent overgeleverd, dat veroorzaakt de zelfde angst en radeloosheid.Ik noem het Nekmassage. De nek is een kwetsbaar gebied. De nek is breekbar. Je kunt degeen die naar je kijkt niet zien. Nekmassage is een onderkoelde titel, daar houd ik van. Ik hecht aan titel, ze kunnen een versterking zijn en ze moeten precies aanduiden wat je ziet.'

Lucebert zei: “Kunstenaars kunnen materie bezielen.''  Hij noemde onder andere een grammofoonplaat, een technisch produkt en toch in staat intense ontroering te veroorzaken. Jij schilderde dertien jaar geleden de Grammofoonspeler, een jongen die een geheel vormt met langspeelplaat en pickup.

'Dat schilderij heeft ook te maken  met het in verrukking en hysterie pathetische aaaah-roepen. Die jongen ben ik zelf in totale overgave. Je verandert de vorm maar je maakt altijd jezelf. Ik luisterde naar muziek, tranen in m'n ogen en toen de plaat uit was weer back to earth. Op dat moment, de overgang naar de realiteit die altijd zo moeilijk is, dient het schilderij zich aan. Het maakt niet uit of je die ontroering ondergaat door het zien van beeldende kunst of door iets op de televisie. Het gaat erom het moment van gestolde ontroering zichtbaar te maken. Nou goed, ik maak dus een krabbel en als de tijd dáár is neem ik het ter hand en moet ik proberen zo dicht mogelijk bij die eerste emotie te komen. Ik schrijf tijdens het werken eraan in mijn logboek. Stel dat ik vandaag kan schrijven: ik heb iets constructiefs gedaan, het schilderij is dichterbij gekomen en de volgende dag besef ik: Nee, het is niet goed.”Geluidloos, de ogen dicht: 'Dat is verschrikkelijk.

Als Karel Appel merkt dat een schilderij is mislukt doet hij het weg, dat hoort bij z'n snelle manier van werken. Maar als ik fouten ontdek aan een ding waaraan ik vele maanden heb gewerkt met enorm ernstige precisie... Mijn tekeningen ontstaan veel spontaner. Ik verscheurde op elke tien tekeningen er zeker negen, maar ze ontstaan snel, spontaan, geïnspireerd. Ik met tekenen om mezelf in balans te houden. Alles moet gebeuren om in balans te blijven, afgezien van de noodzaak in je werk te blijven geloven. Spontaan werken en toch met grote precisie, dat zou ik het liefst willen.”

Vooral uit je tekeningen blijkt je grote fantasie. Er gebeuren wonderbaarlijke dingen, er doemen talloze verschijningen op, een vernietigende hand komt uit de spiegel, een doodskop raast over het land, een man vliegt het raam uit, in een bloemkelk zie je het hoofd van een meisje, mooi als een bloem.

Nu pakt hij kop en schotel op. 'Je kan dit schilderen en tekenen maar ook alle dingen die in je fantasie bestaan.'

Als je veel fantasie hebt vinden ze je onbetrouwbaar, 'zei Lucebert.

'Ja, ''doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Stel je niet aan.'' dat heb ik vroeger al vaak moeten horen. Maar ik zette me daar sterk tegen af. Als je dat niet doet pakken ze je in, proberen je uit te drukken als een peuk!

Ik heb jarenlang les gegeven op de Internationale School in Scheveningen. Ik begon ermee in 1948, ik had geen keus. Leerlingen van de kleuterschool, kleine rotterdjes, tot de eindexamengymnasiasten. 't Was opmerkelijk dat het beeldend vermogen van kinderen na het twaalfde jaar verloren ging, verdrongen door de intellectuele kant. De school is schadelijk voor het gevoelsleven.  Ze kunnen aan de vorm dokteren maar de schade blijft. Ik betwijfel overigens of gevoeligheid de door de heren in Den Haag hoog wordt aangeslagen.'

In de jaren zestig maakte je een reeks schilderijen die je Zwemmer noemde. Ze hadden dacht ik ook  Eenzame vechter, Eenzame volhouder, kunnen heten.

'De oorsprong is mijn emotie bij het uit de kust zwemmen. Vooral deze (toont de reproduktie van Zwemmer 5) is doortrokken van eenzaamheid. Dit is echt wat je bent in de eenzaamheid. Wim Sonneveld heeft het gekocht.'

Ik heb het nooit begrepen waarom het schilderij Vingerwijzing genoemd wordt Vingerwijzing Gods.

'Dat Gods is toegevoegd door degeen die het kocht. Van mij mag het, 't gebeurt vaker.'

Z'n krachtig, aardig gezicht krijgt een uitdrukking van intense verbazing. Ik vertelde dat destijds werd beweerd dat hij bij iemand een tekening zag, gemaakt na de dood van diens vader. Hierop daalde uit de hemel een wijzende vinger.

'De vinger in mijn schilderij zal de vinger zijn van de schoolmeester,'zegt hij kalm. 'De gebiedende vinger op het voorhoofd van het kind is de bedreigende vinger die zo vaak naar mij werd geheven. Het schilderij is van mij doordrenkt.  Het druipt van mij. Ik ben sterk geëmotioneerd, of juist zeer onderkoeld, dat betekent hetzelfde. Je kan zeggen dat ik bewust onderkoeld ben om het niet uit de hand te laten lopen.  Alles om in balans te blijven. Kunst is iets heel bijzonders, vind je niet? Kunst is een wonder.'Hartstocht in z'n stem: 'Kunst is fijn.'

Maar kunstenaars behoren tot het onbetrouwbare volkje.

'Jazeker. Toen ik veertig jaar geleden een atelier zocht... zodra ik zei dat ik schilder was ging het niet door. Artiesten waren viezerikken, lawaaischoppers, hoerenlopers. Misschien heeft het met de tijd te maken. Misschien is men wat toleranter nu ook voor homoseksuelen meer begrip wordt opgebracht.' Die worden geregeld in elkaar geslagen. Je schilderij Geen bloed op je bordje is niet alleen daarom actueel. Vreemd dat de Duitse kunsthistoricus Eberle schreef dat het op de weigering van eucharistie sloeg. Hij verkondigde ook dat Snijden aan gras duidt op je angst afgewezen te worden, het vermogen tot liefhebben te verliezen en het gevaar van nauw contact in het algemeen.

'Ja, toen ik dat las dacht ik: Mijn god, wat nu? Maar het frappeerde me toch omdat het zo anders was dan tot nog toe over m'n werk werd geschreven. Hij interpreteerd de kerktoren in de jongen met de fiets als een christelijk symbool. Maar de toren schilderde ik omdat die dicht bij mijn atelier in de Parkstraat stond, dus bij de lokatie hoort. Kijk, toen ik een tentoonstelling in Berlijn had, kreeg Eberle de opdracht over mij te schrijven. Hij is in de Bondsrepubliek een belangrijk man op dit gebied. Ik heb z'n beweringen wel tegengesproken, maar hij zei: ''Aber man kriegt die Bilder die man verlangt.'' Ach Bibeb, Geen bloed op je bordje schilderde ik natuurlijk ook omdat ik bloed schitterend van kleur vind en als het opdroogt wordt het bruin.'

Ik dacht dat de titel sloeg op Zuidamerikaanse en andere dictators.

'Het is eerder een wens ten bate van het volk. Maar die samenhang is onbewust,'zegt hij zacht en knipoogt.

Je schilderde soldaten tegen een van rood doordrenkte achtergrond.

“Ik was zestien toen de Duitsers binnenvielen. Ik heb niet in een concentratiekamp maar dat verhoedt niet dat je gefrustreerd raakte. Je was een spons, je zoog alles wat er gebeurde in je op.''

Je ging naar de Academie.

''Ondanks de tegenwerkende krachten. M'n vader zat n de autohandel. ''Ga ook in de autohandel,'' zeiden mijn ouders ''of probeer een baan te krijgen bij een bank.'' Ten slotte mocht ik naar de Academie omdat ik dan vrijgesteld werd van de arbeidsdienst in Duitsland. In die vredelijke tijd was het daar een stukje hemel. We vormden een hechte groep, je had je eigen wereld met een eigen jargon. Maar na vijf jaren kwam de verschrikkelijke overgang naar de vijandige buitenwereld waar kunstenaars beschouwd worden als nietsnutten. Je moet erg eigenwijs zijn om door te blijven gaan. Ik ben bij alle twijfels blijven denken: Ik zit op het goed spoor, ik laat me er niet af halen. Je krijgt natuurlijk meer zekerheid, anders zou je stoppen. Ik heb wel steun gehad van Ouborg en Willem Hussem. Hussem klopte me op de schouder en zei: ''Ga jij maar door jongen.'' Ik heb van alles gedaan, toegepast werk, illustraties ook advertenties. Ben zelfs naar Amerika gegaan met een vrachtboot. Dat is helemaal verkeerd uitgepakt. Het was de McCarthy-tijd. Iemand had gezegd dat er met het toegepaste werk wat ik deed in New York was te verdienen. Ik kreeg geen poot aan de grond. Wertd gearresteerd door een vent met een pistool. Ik moest mee om te worden ondervraagd. Wat ik gedaan had op 4 mei 1945. Ik was een rooie artiest uit Europa en verdacht, want ik had maar twintig dollar en daar kon je niet van leven. Verre familieleden, destijds geëmigreerd, hebben de vereiste vijfhonderd dollar gestort. En toen werd er gezegd: ''Welcome in Amerika.”

Ik heb ook nog een kamer beschilderd en bij een benzinestation gewerkt met zo'n pet op, maar ik wou als de sodemieter terug in mijn atelier in de Parkstraat. Ben nooit meer teruggegaan. Het was een schamel avontuur. Welnee, niks invloed. Net zoveel als zes weken in Enkhuizen zitten.

In diezelfde tijd gingen kunstenaars met rijkssubsidie naar Amerika, die zaten op rozen. Terwijl ik niet eens het haar in een kapperszaak mocht aanvegen, want daar had ik een social security voor nodig.'

Vier jaar later kreeg je de Jacob Marisprijs voor je Visvrouw.

Niet alleen veel woedende ingezonden brieven in de kranten maar er waren heel wat Haagse schilders die grimmig reageerden op je bekroning. Al gauw werd beweerd dat je en bestaande plaat had nageschilderd, wat toen nog niet mocht.

“De visvrouw heb ik gezien in 1950. Het licht viel precies zo op haar handen als ik het schilderde. Ach Bibeb, het interesserde me niet wat zeiden. Ik ben gewoon doorgegaan. De tentoonstelling deze zomer in het Haagse Gemeentemuseum is voor mij een stimulans geweest. Al je in aanmerking neemt dat ik twee schilderijen per jaar maak dan is 48 schilderijen veel, plus 129 tekeningen en aquarellen en grafiek. Ik vond het gewoon goed.

Het werk was ook een afspiegeling van je leven.

Ja, ik weet absoluut zeker. Ik maak een beeld van iets dat ik heb ondergaan, Geen illustratie van m'n leven maar wat ik onderging herbeleefde in mijn atelier. Ik zou graag een schilderij van Mondriaan hebben, daarmee komt er een geweldige kracht binnen. Ik ben het niet eens met wat Lucebert zei over Mondriaan. Zijn werk is  samengebalde kracht, hij heeft geen figuratie nodig.

Ach wel nee,'zegt hij driftig, “ik geloof niet dat verdriet noodzakelijk is om mooie dingen te maken. Ik geloof dat een kunstenaar heel rustig leeft en schitterende dingen kan maken. Nee, wacht nou even. Ik geloof dat het allemaal niks uitmaakt. Ze moeten natuurlijk niet je stoel onder je wegtrekken of je atelier in brand steken. Ik geloof wat mezelf betreft, zodra je in rustig vaarwater komt gaat het werk beter. Erkenning is natuurlijk heerlijk.'

En contact met collega's, vrienden die je werk bewonderen?

“Eigenlijk heb ik niet veel contact. Ik had het in Den Haag al weinig en nu hier in Rotterdam helemaal niet. Ik vind dat heel goed. Dit vak slokt uren, dan ga niet naar de Lijnbaan of naar collega Piet. Als ik er even uit wil kom ik weer gauw terug om te zien of wat ik gedaan heb goed is. Vergeet niet dat ik jarenlang les heb gegeven. Het kostte me tijd daarom ben ik ermee gestopt, dat is mijn werk tengoede gekomen.'

Er is me vaak gezegd dat je heel boeiend les gaf.

'De leerlingen waren niet ontevreden.'

Veel werden door je werk beïnvloed en zij niet alleen.

“Ach, ik ben zelf beïnvloed door de Vlaamse primitieven en de Italianen van de vroegere Renaissance. In de tijd dat ik eenzaam in m'n atelier zat waren die idolen een steun. Het moet natuurlijk niet te lang duren.'

Je hebt veel prachtige zelfportretten geschilderd en getekend.

“Die maak ik uit emotionele overwegingen, maar ook als studie. Op de academie gaf ik modeltekenen, daar wordt wel 's over gesneerd zo van een naakte juffrouw bij een straalkachel... maar het is schitterende oefenstof. Een zelfportret betekent voor mij dus ook kijken hoe een oog zit enzovoort en ik sigaleer de aftakeling. Je ziet toch een vleselijke impotentie gebeuren, het gaat allemaal achteruit, je ziet een bolle kop... daar zit een stuk tragiek in Wil je nog koffie? Ik heb ook broodjes die heeft Fenna klaargezet.'

Als alles op is begin ik over zijn reeks Afdaling op klaarlichte dag, waarvan ik de reproduktie (op de affiche) thuis aan de muur heb. Een vrouw zakt weg in de roodbruine aarde onder een zomerse hemel en omgeven door het sappige groen van een weiland.

“'Ik heb de ruimte willen uitbeelden, vandaar de polder onder de blauwe lucht. Ik denk als de dood komt dat je een flash-back krijgt waarin je leven tot één moment stolt. Die vrouw beleeft dat, zo heb ik het ook gemaakt. Iedereen heeft in z'n omgeving wel mewnsen die zwaar ziek werden en stierven, ik dus ook. De dood fascineert me. Ook het ziekbed. 'Buigt zich voorover, zegt langzaam en onbeschrijflijk suggestief: “In het gezicht van een srnstige zieke gebeuren buitengewoon spannende veranderingen.'

Je bent er zelf niet bang voor.

'Schilderen en tekenen is een middel om dingen weg te duwen waar je bang voor bent.'

Bij voorbeeld dat je niet genoeg tijd meer hebt.

“Nou breek je me de bek open, ik doe zoveel, ik wil nog zoveel maken, dus moet ik afstrepen en behouden wat het belangrijkst is. Het besef, mijn god, ik mag geen tijd meer verliezen, begon toen ik tegen de vijftig was. Ik schilder, teken lithografeer, ik bestudeer nog steeds de mens, ik bedoel ik teken naar model, ik teken zelfportretten. Daar moet iets af maar tot nog toe is het me nog niet gelukt.

Vrienden die me afleiden zijn er niet veel hoor. Zijn er niet, ik ben iemand die de eenzaamheid verkiest.'

Je hebt geen depressies?

“God kind,'zegt hij met luide stem, 'bij tijden barstende  hoodpijn.'

Wat doe je er tegen?

“Pillen slikken. Mensen kunnen je niet helpen. Ik loop met mijn hond. Ik houd van hem. Hij is heel groot en heel mooi, beweegt zich als een leeuw.'

Nadat ik vertelde hoe aangrijpend Milan Kundera het ziek worden en sterven van de hond Karenin uit Unbearable Lightness of Being beschreef, zegt hij: “Ik wil de geluiden van hem opnemen. Ik wil hem ook inblikken in film. Maar ik ben bang dat ik later met grote weemoed naar die banden zal luisteren. Eens zal ik hem moeten missen, dat zal me erg opbreken.'

Neemt van de stapel een aquarel 'Man en hond'. Ze omhelzen elkaar. Het hoofd van de man tussen de poten van de hond, zijn lange tong op de wang van de man.

Op momenten van emotie beweeg je je oren.'zeg ik, wist je dat?'

Nee...maar ik wou vroeger wel aan het toneel. In  ieder geval iets in de artistieke sector. Toneel of film, wat kon me niet verdommen. Ik had ook kunnen gaan schrijven. Ik heb het ook gedaan. Mijn gedichten zijn zelfs voor de radio gelezen door Jan Arends. Die had toen en kleine schnabbel, ik kende hem van zijn zwerftochten door Den Haag. We waren nog heel jong.

Het boeiende van poëzie schrijven vind ik het schrappen. Het terugbrengen tot de essentie, dat geldt ook voor mijn tekenen en schilderen. Er gaat zoveel aan vooraf.'

Vertelt dat hij in Boymans een lezing hoorde van iemand uit New York over Memling. Er werden dia's getoond van een houtskool-ondertekening van Memlings Madonna. 'Volgens een nieuwe methode was het werk doorgelicht zodat je kon zien wat zich onder de schone helderheid van het eindresultaat bevond. Je zag de madonna zich wenden naar links, naar rechts.'Imiteert snelle hoekige bewegingen. “Wat zich onder de oppervlakte bevond klopte totaal niet met het heldere eindresultaat. Er was een moeiuzame verlenningstocht aan voorafgegaan. Zo hoort het ook.'

Wim Beeren schreef in het grote aan jou gewijde boek (Co Westerik, schilder) dat je een schilder bent van figuurstukken, landschappen en scenes maar ook van vlees en lichaam. Ik citeer hem nu letterlijk: “Wangen, slapen, armen, handen, vingers, benen, voeten, voetzolen, vlees om bot, uitdijend en gespierd vlees, gladde of gerimpelde huid, plooien, rimpels, kerven, onderhuidse landschapaders, pezen, ruggen, nekken, vlekken, sproeten.'En hij noemde je zacht rozige kleuren.

'Huid is voor mij belangrijk. Huid in een schilderij is voor mij niet alleen een roze violette vlek maar hoort bij de psychische aanwezigheid van de mens.'t Is een psychysche benadering van de materie. In mijn Man in water, vrouw in boot heb ik willen uitbeelden hoe de huid van de man zich onder water gedraagt. En wat de huid van de vrouw ondergaat onder haar natte witte hemd.'

Eberle noemde je psychologische belangstelling.

“Ik doe natuurlijk niet anders dan aftasten wat tussen mensen gebeurt. Maar ik lees niks over psychologie.'

Dit leidt naar de opdracht die hij destijds aanvaardde: een schilderij met als onderwerp de begrafenis van Wilhelmina. 

“Ik geloof niet dat het tot m'n best werk behoort, maar ik vind het zeker een aardige voldoende waard. Zelf zie ik liever mijn Pols. Ik moest toen snel beslissen...Ik dacht wel meteen wat haal je je op je nek. Goed vind ik die open geklapte kerk en het zand.. De keien van het plein waren bevroren dus werd er zand gestrooid om het uitglijden van de paarden te voorkomen, Ik strooide zand op m'n schilderij en daarin heb iki sporen gemaakt, sporen van de koets, richting kerk. Verder werkte ik met symbolen, zoal Eenrichtingsverkeer.'

De laatste tijd wordt er enthousiast geschreven over de schilderijen van Balthus, ik vind jouw werk interessanter.

“Ik bewonder Balthus, zegt hij  met nadruk, 'vooral zijn vroege werk, die straten. Dat hij nu eindelijk veel belangstelling krijgt, een grote tentoonstelling in C entre Pompidou, heeft niks met mode te maken. Balthus is klassiek.  Iets anders is de plotselinge  interesse voor Max Beckmann. Ik heb zijn werk altijd zeer bewonderd, het was in de vergetelheid geraakt, maar nu gaat alle aandacht uit naar zijn drieluiken, de allegorieën, beslist niet zijn beste werk. Waarom? Alleen omdat  het een link is naar de Neue Wilden.''

Stel dat ze jou internationaal pousseerden?

“Dat zou niet kunnen. Ik maak te weinig schilderijen en dan haak je ogenblikkelijk af. Als ze van mij een grote produktie zouden eisen, zou ik te gronde gaan. Ik heb een andere mogelijkheid dan te werken zoals ik dat doe. Ik ga gewoon door. Financieel leven we betrekkelijk aardig maar we kunnen geen buitensporige dingen doen, dan zou ik veel meer moeten maken. Ik kan me ook niet permitteren enkele van mijn schilderijen te houden.'

Je kunt je wel helemaal op je werk concentreren.

“Ja, ik word zelfs volledig verzorgd,'zegt hij lachend. “Fenna kookt, dat doet ze erg goed en ze vindt het leuk.'Vertelt. In 1968 had hij een tentoonstelling in de galerie van Fenna de Vries. “Ik vond haar aardig en interessant. En dan gaat het steeds verder, je kent dat wel. Ik was toen al weg bij Hens' (de schilderes Hens de Jong).

In het Co Westerik boek (door Wim Beeren) zijn foto's opgenomen waarop je Hens ziet met hun drie dochters Vicky, Christina en Sophie en van Fenna en Co met de drie dochters en hun zoons Willem en Maurits.

“Een keer in de drie jaar exposeer ik tekeningen en aquarellen in Fenna's galerie. De invloed van de crisis is wel te merken. Het kopen van kunst is het eerste dat wordt geschrapt.'

In de film die Reyen over je werk maakte, lees je voor uit het schilderslogboek, de gedeelten over het werken aan je schilderij, Snijden aan gras. Ik vond die film een hoogtpunt, bijna dramatisch spannend.

“Er is me door een uitgever gevraagd of ik het wilde uitgeven. Maar mijn logboeken zijn natuurlijk niet bedoeld om op m'n huisdeur te plakken. Het werd me gevraagd voor de film en dat vond ik wel een leuk idee.'

Mensen die maakten dat de reproduktie van Snijden aan gras uit de treinen moest worden verwijderd, zouden het moeten lezen.

“Ach, schilderijen wekken vaak agressie op. De ogen van Judas werden ook doorstoken.

Ik ben gek opfilm. Een van de beste films van vroeger vind ik Menschen am Sonntag van Robert Siodmak. Marilyn Monroe vond ik bijzonder, maar ze erotiseerde me niet. Er was  iets met haar afmetingen, er klopte iets niet. Het mooiste vond ik dat zielige koppie. Kom's  mee.'

Loopt voor me uit naar de andere kant van het atelier, schuift de ezel opzij, wijst naar een klein raampje. Weet je wat daarachter zit? Mijn projector. Ik fim zelf. Het is een uitbreiden van mijn mogelijkheden als schilder. Daarbij vind ik door de lens kijken heel fijn en dan een beeld projecteren op het grote scherm dat ik daar bij de tafel kan neerlaten. Een mond met een kleine afwijking enorm vergroot, een geweldige lel van een mond geeft me een grandioze sensatie. Voordat ik een mond ga schilderen moet ik zoveel beelden van monden hebben, je moet verrot goed selecteren. Een camera prikkelt me ook geweldig. Ik vind het instrument op zich, dat mooie machinetje, verrot boeiend. Wat ik met mij werk doe is eigenlijk de lens een beetje anders draaien, om meer mogelijkheden te hebben en verder op de dingen in te gaan.'

Is het waar dat je schilderij Ondertorso schokkend wordt gevonden? Toch niet om de vagina, die is helemaal niet geil geschilderd.

“Mijn Ondertorso is een hommage aan de vrouw, aan de moeder. Ik vind het een van mijn beste schilderijen. Het is opgeladen met kracht als een ikoon. Maar ik weet dat er mensen zijn die het shocking vinden.'

Wie dan?

“De Wilde van het Stedelijk had het gezien toen ik eraan werkte, hij was enthousiast, wilde het kopen. Toen het klaar was bleek hij ongelukkig, hij was verdrietig. “Je hebt een heel duidelijk geslachtsdeel geschilderd, '' zei hij. Eerst was het een donkere vlek, of nee, het was een opening, een gat.'

Misschien werkte dat niet zo op z'n fantasie.

“Dat kan natuurlijk.. Uit de vagina zijn we gekomen en als man ga je er weer in.. Maar ik schilderde meer de moeder, de vrouw, het meisje. Ach als we zo doorgaan Bibeb, blijft er geen moer over van het stille, onzegbare onmeedeelzame en daar gaat het om.' Meteen daarop valt hij driftig uit: “Schokkend.. Je kan van al mijn werk zeggen dat het schokkend is. Het is de reden verdomme dat ze er niet omheen kunnen. Ondertorso is niet anders schokkend dan mijn Pols. Dat is ook een hommage.

Mensen vragen vaak: “Wat bedoel je er nou mee.”” Dan sta je wat te stamelen. Maar als docent had ik me voorgenomen toch in ieder geval een verhaal te houden. Ik vind het een cliché als je op zo' n vraag zegt: “Het is niet uit te leggen.'' Ik probeer dus mijn beweegredenen te noemen. Maar in wezen geef ik hen gelijk die zeggen niet te kunnen verklaren. Alleen het beeld kan het doen. Een verhaal over de voorstelling kan het nooit vertellen.

Op de academie hadden we les van Willem  Schrofer, Rein Drayer, Rozenburg en Van Dam. Paul  Citroen was ondergedoken.

Ik heb vooral veel te danken aan Drayer en Rozendaal. Drayer gaf het eerste jaar tekenen, het tweede jaar begon je met het schilderen van een stilleven. Alleen in zwart en wit. Daarna kwam er een kleur bij. Hoe die man dat opbouwde, geweldig! Schrofer was zijn tegenpool. Met zijn kwajongensachtigheid een verukkelijk elementy. Geweldig stimulerend. De leraren waren streng, maar als Schrofer drie onderwerpen voor een stilleven neerzette was hij woedend als hij er iets in je tekening of schilderij van terug vond. “Vooruit jongens, expressionistisch,'' zei hij en dan verdween-ie met en leuke blonde meid achter het schot.

Voor Drayer was schilderen een geheimzinnig gebeuren. Hij heeft me 's verteld... als hij door het Westland fietste voelde hij het schilderij naar zich toekomen. “Nu voel ik dat niet meer.'' zei hij een paar jaar geleden. “Dat is geen ramp jongen. Dat is niet triest.'' Hij is opgehouden maar het heeft niets te maken met het wonen in een bejaardentehuis. Het kwam al veel eerder.

''Dat is geen ramp jongen,'' blijft mij bij, zoals ik als ik aan Hussem denk me dit herinner.. Fenna was jarig toen kwam hij op bezoek. Was al zwaar ziek, een oog kwijt door kanker. Hij droeg zo'n lapje. Hij zit hier aan de tafel... Ik had toen een Franse bulldog, die was blind aan een oog. Die hond, heel lief, springt op schoot bij Hussem en die zegt: ''Co dit moet je schilderen of tekenen. Allebei een oog. ''Grandioos. Schrofer heeft onze eerste tentoonstelling na de oorlog georganiseerd. Buiten, langs de Hofvijver. Parade der debutanten. De naam heeft hij bedacht. Hij had ons ook allemaal als lid van de CPN willen opgeven. Er werden die eerste tijd schitterende Russische films gedraaid, maar de sfeer veranderde snel. We kregen het militair gezag en de anti Rusland stemming stak de kop op. Toch vreemd, als je gezamenlijk de vijand hebt bedwongen. Toen kwamen de onthullingen over Stalins misdaden en was het helemaal afgelopen.

De contraprestatie was en belachelijke affaire. Ik heb tot het laatst gesodemieter gehad. Mijn Jongen met fiets wilden ze niet hebben. Autobus bij avond...daar kon ik na veel vijven en zessen tweehonderdvijftig gulden voor krijgen. Verdomd lullig allemaal. Je bracht 'smorgens twee schilderijen en dan moest je 's middags om vier uur terug komen om te zien of ze geaccepteerd waren. Dan zei de ambtenaar met het Haagse wapen op z'n jas: 't  Is weer niks gewqorden.'' Dan kon je naar de steun. Ze lieten je niet in de steek, Bibeb.' Zegt dit zeer zacht maar onvergetelijk grimmig.

Kreeg Hens van de contra prestatie om te kunnen schilderen?

'Welnee, alleen de kostwinner.'

Na minuten lang zwijgen zegt hij: Ach, ik hoef jou niks te vertellen, een schilder is altijd met z'n eigen werk bezig, je moet in je zelf geloven, anders gaat het niet.'

Ik las laatst dat Van Gogh helemaal niet krankzinnig was.

''Dat zal best, zegt hij, 'misschien had ie alleen maar pijn in z'n hoofd. We zijn allemaal net als Van Gogh door de maatschappij verschrikkelijk misvormd. Destijds ben ik met Willem Schrofer naar de psychiatrische kliniek geweest van Plokker. We waren onder de indruk van de tekeningen die ze daar maakten. Schitterend werk van een heel bijzondere kwaliteit. Tegen het moment dat ze genezen verklaard werden tekenden ze een lullige geranium. Natuurlijk moest er iets gedaan worden om die mensen van hun verschrikkelijke pijn en angsten te verlossen maar als je ziet wat er dan uitkomt... Ik vond het een verschrikkelijk gezicht.'

Raadselachtig is het, zeg ik, dat je je het ene ogenblik vrolijk en vitaal kan voelen en even later slaat de somberheid toe. Zonder aanwijsbare reden, hoewel sommige mensen een funeste uitwerking kunnen hebben.

Langzaam zegt hij: '''t Gebeurt mij ook wel dat ik moeite moet doen om wellevend te blijven. Dan krijg ik ineens neiging om te braken. Er gebeurt iets in je lichaam. Het lijf is een interessante, zeer curieuze fabriek. Wat er niet allemaal mogelijk is.'

Beangstigend.

''Ik getuig ervan,'mompelt hij. En na lange stilte: ''Schilderen is mijn leven. Het houdt me in balans. Ik moet alleen oppassen dat ik niet over de schreef ga. Te sterk ermee bezig ben, zodat ik voor  niemand meer iets kan betekenen. Met het gevolg dat alles waar je voor staat zinloos wordt.